21 February 2009

Fiorentina-Ajax


Yes, na Hamburg het volgende Europese tripje, en wát voor één: ditmaal naar Florence. Iets waar je je eigenlijk al weken op loopt te verheugen, want of we nu winnen of verliezen, mooi wordt het toch wel.

Woensdagochtend 7 uur…Waar je de laatste tijd normaalgesproken voor een wedstrijd van Ajax je bed niet uit wil is het in dit geval helemaal anders. Er zitten Italiaanse vrouwen, biera’s en een hoop cultuur op ons te wachten, en wie zijn wij om dat aan ons voorbij te laten gaan. Opstaan, douchen, scheren… je doet de gekste dingen, want een goed begin is het halve werk. Eerst een stuk met de trein naar Weeze, alwaar onze airbus al stond te wachten. Decadent als we zijn vlogen we met Ryanair, en omdat we van roadtripjes houden ging de tocht eerst naar Bergamo. Heerlijk, zodra de vliegtuigdeur openvliegt stroomt de mediterraanse warme lucht je al tegemoet! Jas uit, zonnebril op, Bongiorno bella Italia!
Met de zon op onze bol en een prima tempetartuurtje van maarliefst 9 a 10 graden flaneren we richting de terminal. Eerst even genieten van enkele culinaire hoogstandjes uit de Italiaanse cuisine, dus die pizzapunt ging er wel in! Bij een hoog aangeschreven autoverhuurbedrijf hadden we een koekblik gehuurd, een Smart Fourtwo, waarmee we de tocht naar Firenze zouden maken. Ajaxsjaaltje tegen de achterruit, want anders denkt men nog dat we uit Italië komen en dat moeten we niet hebben.

Hmmz, een tolweg. Hier had ik even niet bij stilgestaan toen ik zo el cheapo mogelijk in Italië wilde komen. Maargoed, niets meer aan te doen. Via Brescia en Verona richting het zuiden, Bologna volgend op de borden. Waar ik een schitterend berglandschap verwachtte kwam ik bedrogen uit, we reden eerst nog een kilometer of 100 door het ‘Groningen van Italië’. Een vlak toendralandschap met hier en daar een verdwaalde noeste boer die zijn akker met een pikhouweel trachtte om te ploegen. Niets te beleven. Bologna voorbij, daar komen ze, de bergen! Dat is altijd mooi, zodra je bergen ziet besef je pas echt dat je in het buitenland bent. De zon op je gezicht, een man die buitenlands praat op de radio, daar doe je het allemaal toch voor!

Rond zessen rijden we Florence binnen en we parkeren de bolide naast het stadion. Even de stad in gaan? Wel, niet, wel, niet…De training is immers om 19.30u. We blijven wel even in de buurt. Stadio Artemio Franchi, net als de meeste andere gebouwen in Florence lijkt ook dit bouwwerk alsof het rond 1500 in elkaar geklust is. Met een mannetje of 400 aanschouwen we de training. Hoewel, training is een groot woord. Er worden drie rondjes gerend, er is een praatsessie en twee man trappen wat balletjes naar elkaar over. Op dat moment zijn m’n tenen er bijna afgevroren en voelt het alsof we uit tegen de Antarcticase Boys moeten. Maargoed, toch even je gezicht laten zien. “Hé spelers, we zijn er nu al! En alleen om jullie te steunen he! Morgen zitten we de hele dag op onze hotelkamer te wachten totdat de wedstrijd eindelijk begint, dus doe alsjeblieft een beetje je best!”
Zo, dit verplichte nummertje zit erop en we spoeden ons naar het hostel, gelegen aan het Piazza della República! Dit klinkt toch al een stuk mooier dan het Republieksplein, maar da’s de grandeur van de Italiaanse taal. Mooi.
We bellen aan en één of andere gare Chinees in een korte broek en slippers doet open. “You have dinner”? Wij dinner? Eh, waar heeft die gast het over. “No” zeiden we in een mengelmoesje van Italiaans en Engels. Hij maande ons mee te komen en zo konden we in het keukentje van het hostel direct aan tafel. Twee borden met spaghetti bolognese werden ons voorgeschoteld en we kregen ook een overheerlijke rode wijn, geserveerd in een karakteristiek plastic bekertje. Daar zaten we dan, twee Ajaxsupporters tussen die onnozele backpackers met hun baarden en slobbertruien, elkaar vermoeiend met hun verhalen over waar-ze-allemaal-wel-niet-zijn-geweest. We vertellen maar niet dat we eigenlijk alleen komen voor een voetbalwedstrijdje en die cultuur er ‘wel een beetje bij doen’. Dus lullen we vrolijk mee over onze voorliefde voor de Renaissance, onze bewondering voor Machiavelli en de droom om ooit op de Ponte Vecchio te staan. 1400 km reizen voor 1,5 uurtje Ajax? Leg dat maar eens uit aan zo’n Spaanse baardmans van een jaar of 19. Geen zin an.
Nou, op naar de kroeg! We kwamen terecht in één of ander links communistenhol, in een toeristenboekje omschreven als ‘lekker alternatief en gezellig’. Een biertje kostte hier maar 5,50 euro, da’s toch geen geld! Drie biertjes gedaan en toen vielen we van pure vermoeidheid al van onze barkruk af, dus lekker slapen want donderdag = cultuurdag.

Firenze, wát een verschil met Hamburg. Hamburg, het Rotterdam van Duitsland, eigenlijk een aartslelijke grauwe havenstad waar de vrouwen dik zijn en cultuur is er al helemaal niet te vinden. Als Ajax er niet hoeft te voetballen zou je er nooit van je leven komen. Florence daarentegen, een stad naar m’n hart. Hier schijnt de zon, hier is het goed toeven, hier voel je de historie en het belangrijkste: Hier letten de vrouwen wel een beetje op hun gewicht. Om 9 uur opstaan, want cultureel gezien heb je wel een dag nodig om het een en ander te aanschouwen. Direct naar de Duomo, een soort paleisachtige gigantische tempel met een koepeltoren.
Binnen struikel je over tienduizend Japanners van twee turven hoog, maar dat heb je er wel voor over! Wat een pracht, wat een praal. En dat allemaal gratis! Je mag de toren zelfs op, maar daar moet je voor betalen en dat gaat ons natuurlijk veel te ver.
Op naar de Santa Croce, de grootste Franciscaner kerk ter wereld waar vele belangrijke gasten in begraven liggen. Ik noem een Galileo Galilei, Gioacchino Rossini, Niccolo Machiavelli en Michelangelo (De beeldhouwer, niet de turtle)
Wederom een schitterend bouwwerk, en dan heb ik nog niet eens de Palazzo Vecchio (nog zo’n paleis) en de Ponto Vecchio (een prominente brug) genoemd. Ik had al snel door dat ik hier zeker nog een keer terug moest komen om alles eens op m’n gemak te bekijken.

Het was al 12 uur en dat betekent maar één ding: Tijd voor een biertje. En waar kun je dat beter drinken dan op het Piazza della República, lekker uit de wind en in het zonnetje. Oh, ooohh ooooohhhhh. Er zijn geen woorden voor hoe intens fijn het is om het eerste moment in het jaar mee te maken dat je zonder jas op het terras kunt zitten. Een biertje á 8 euro voor je neus (dus, lang-zaam drin-ken…), een zonnetje op je gezicht, een beetje naar voorbijlopende vrouwen kijken, je gaat het voor het eerst eens een keer over de wedstrijd hebben en je geniet. Genieten met de hoofdletter G kan ik wel zeggen. “Wat wil je nog meer”, zei m’n maat. “Nou, een overwinning vanavond!” zei ik. “Hahaha!”, lachten we samen. Een overwinning. Uit. Voor Ajax. Bij Fiorentina. Hahaha, gekke Thijs. Wat denkt ‘ie zelf. Een goaltje zou al mooi zijn! Één keer juichen, één keer uit je dak gaan, dat zou al fantastisch zijn. Maar we maken ons geen illusies, we gaan er gewoon af met 3-0, maar ach, de zon schijnt.

Om 14 uur gaan we naar het stadion, om even de kaartjes om te wisselen. De gratis bus vertrekt van het Piazza San Marco. Pas dan besef je hoe groot de status is van onze trainer in Italië, dat ze zelfs zo’n oud plein naar hem vernoemen. Kaartje omwisselen, en we stappen in onze waggie om wat van de omgeving te zien. We rijden naar het bergdorpje Fiesole, op een grote berg op een steenworp afstand van Florence. Vanaf hier heb je een schitterend uitzicht op de stad en je zou zelfs de wedstrijd kunnen volgen als je hele goede ogen hebt. Het zicht is misschien wel beter dan vanuit het uitvak.
Om half vijf terug naar de stad om ons te gaan bezatten, want je moet er toch niet aan denken om Ajax nuchter te moeten bekijken in een uitwedstrijd. Voordat we goed en wel onze pizza ophadden en de eerste paar biertjes achter de kiezen zaten was het alweer bijna tijd om richting het stadion te gaan. Na een omweg van een kilometer of drie kwamen we eindelijk aan bij de ingang voor Ajaxsupporters.
De immer vriendelijke Carabinieri (Italiaans voor ‘handlangers van Mussolini’) stond ons al met een knuppeltje op te wachten. Goed, het eerste checkpoint. Kaartje laten zien, ja, ik ben het, en even laten fouilleren. ‘Jacket open’. Alles eruit halen, voordat ik twee stadskaarten, mn telefoon, sleutels, portemonnee, toegangskaartje en paspoort zo in m’n handen had dat er niks op de grond kon vallen stond er niemand meer voor me. Ah, toch wel, diezelfde agent alleen dan met de playmobielhelm, schild en wapenstok. Ik kijk ‘m vragend aan, gaat ‘ie me nou in elkaar slaan omdat ik langer dan vijf seconden deed over m’n zakken leeghalen? “Oh, sorry” stamelt ‘ie, want achter me heeft een Ajaxsupporter blijkbaar iets gezegd waardoor het hele peloton in de aanvalshouding gaat staan. Ik word door een andere agent even meegesleurd en weer hardhandig gefouilleerd.

Eindelijk, de eerste hindernis is genomen. 300 meter doorlopen waar de volgende poort staat waar je doorheen moet. Er moet een bus door de tweede poort, voor de Italiaanse politie het sein om de controle volledig te verliezen en zich paniekerig te gaan gedragen. Een bus en twee supporters tegelijk door een poort, dat zou natuurlijk van de zotte zijn dus ze gooien het direct dicht. Supporters die zich afvragen waarom ze er niet doormogen worden aangezien voor staatsgevaarlijke terroristen en we moeten oppassen dat we geen klap voor onze kanis krijgen. Nadat we tegen een vrouwelijke agent zeggen dat we er eigenlijk toch wel gewoon doormoeten omdat we de wedstrijd willen zien zegt ze “Hmm. Okay, one by one”. Ze weten zelf ook niet wat ze willen zeg! Alsnog grondig ons kaartje bestuderen. Alsof hier ook maar één argeloze wandelaar tussenzit die per ongeluk verdwaald is. We staan hier toch niet voor niks in deze corridor. Hoewel er niks aan de hand is reageren de Italianen uiterst nerveus. Door drie man wordt er aan me gesjord, en moet ik opnieuw al m’n zakken leeghalen. Alsof ik in dat tussenstuk een stel wapens en vuurwerk heb aangeschaft voelen ze overal of ik toch geen illegale spullen bij me heb. Met m’n handen op m’n achterhoofd loop ik tussen de agenten door, zodat ze kunnen zien dat ik er toch niet stiekem eentje met een mes wil aanvallen of iets dergelijks. En daar zijn we bij het stadion, eindelijk, overleefd!
Weer kaartcontrole, en verrek, ik heb nog steeds een geldig kaartje. De wonderen zijn de wereld nog niet uit. Het uitvak in!
En jawel, wát een entourage, wát een schitterend stadion, wát een prima plekken! Maargoed, daar reis je dan ook voor, en daar betaal je dan ook voor. Een hekwerk van 3 meter hoog, een net voor je gezicht, plastic iets wat ‘stoeltje’ heet…We zijn blij als we eindelijk een plek hebben gevonden waar we in ieder geval beide strafschopgebieden zien.

Ah, daar lopen onze helden warm! Geen Cvitanich, geen Vertonghen, geen Enoh, geen Gabri, dan weet je het wel…Kansloos. Voordeel is dat je je niet helemaal op loopt te vreten van de spanning, en na tien minuten was ik al trots dat we zo lang de nul hadden gehouden. Links van het vak werden we uitstekend ge-entertained door een stel huis-, tuin- en keukenhooligans van Fiorentina. “Ajax, Ajax, vafanculo” klonk het, wat zoiets betekent als “Ajax, Ajax, bedrijf de liefde met jezelf”. Rare jongens, die Florentijnen. Een andere Italiaan probeerde ons vies te dissen door zijn bandirie omhoog te houden in onze richting. Oef, dat komt hard aan. Je zult maar geld hebben betaald voor een toegangskaartje om de gehele tijd met je shawl en bandirie richting het uitvak te zwaaien. Een pizzavreter in een wit vestje was helemaal non stop met ons bezig. Amusant om te zien, zeker omdat je de helft van de tijd niet ziet wat er op het veld gebeurt. Veld? Ohja, voetbal!

0-0 bij rust, dat is verdomme een prima resultaat! Nu verliezen we waarschijnlijk maar met 2-0 ofzo, dat zou toch niet slecht zijn! Intussen wordt een Ajaxsupporter in een Fiorentinavak op z’n bek geslagen en wordt het sfeertje iets agressiever. Je moet toch iets doen om jezelf een beetje warm te houden. De tweede helft! Alle ballen blind naar voren rossen is het devies, en wie weet raakt iemand ‘m per ongeluk zo goed dat ‘ie nog goed valt ook.
In de reisgidsjes lees je dat Italianen het op prijs stellen als je hun taal probeert te spreken, dus klonk het FIO-REN-TINA…VA-FAN-CULO hard vanuit het uitvak. Je zou verwachten dat die Italianen daar totaal niet van onder de indruk zijn, alsof het padvindersliedje ‘Alle Joden zijn homo’ tegen je geschreeuwd wordt. Oh, nee, zijn wij homo?! Nouja, ik word ziedend!!
Maar niets is minder waar, ze zijn zichtbaar beledigd en eindelijk wordt het echt een Europacupsfeertje. Wij tegen de rest, wij als supermooie Nederlanders tegen die suffe Italiaanse losers. Vafanculo jezelf sufferds, we gaan hier nu niet verliezen ook niet!

En toen kwam daar het Moment, een moment dat je niet aan zag komen. JA, we zijn verdomme over de middellijn! Juichend viel ik m’n maat in de armen, IETS WAT LIJKT OP EEN SOORT VAN AANVAL! Jahaa, dit is toch werkelijk waar meer dan waarop ik had gehoopt. Maar, er leek zich een wonder te voltrekken, Suarez werd vrijgespeeld en speelde ‘m veel te ver door op Leo, die ‘m terugkopte naar Urby, schiet dan, zoek de vrije man, ja, kale, ROSSUHHHH LAT, doellijn, achter?, en daar Het Mooiste Moment, de bolling van het dak van het doel, het is een goal, JAAAAAAAAAAA! WHAT THE FUCK, 0-1! Daar is dat moment weer, dat moment van compleet gek worden, we hebben een uitdoelpunt! Je weet van pure vreugde niet wat je moet doen, je pakt die mafkees naast je vast, je zwaait lachend naar de Italiaanse fans, je springt nog een keer of tien rond totdat je het echt beseft….We staan voor! En wát een goal, wat een poeier, tsjonge jonge jonge jonge jonge! De reïncarnatie van de peun van Finidi tegen Bayern in het Olympisch Stadion, door niemand minder dan de Toreador van het Artemio Franchi! De Zweedse tiran, de Schrik van Florence, de Toscaanse beul, El Goleador, de fijnbesnaarde balvirtuoos met zijn fluwelen techniek, bijnamen te over, ik heb het natuurlijk over niemand minder dan Kennedy Bakircioglu! Wie anders dan Kennedy schiet ons voorbij Fiorentina! Wat een held, een standbeeld voor deze man, geef ‘m een contract voor het leven! Een levende legende, want wie Kennedy zegt, zegt: ‘Bakircioglu!’ En vanaf nu zegt ook iedereen: “Fiorentina-Ajax 0-1!”

Ja, 0-1, dan komt toch ineens de spanning hè. Wordt het onmogelijke mogelijk, gaan we hier een Resultaat halen? Het zal toch niet? Elke 20 seconden kijk ik op de stadionklok, volgens mij zit iemand met die tijd te kloten! De secondes lopen hier in Italië veel langzamer dan in Nederland! Sno komt erin, ons geheime wapen! Die koeko di panno’s in het paars weten nu helemaal niet meer waar ze het moeten zoeken! Sociaal als Marco is past hij zich aan de Italiaanse manier van spelen aan en zo spelen we de wedstrijd in een soort 6-4-0 opstelling uit. De bal passen naar een medespeler? Ben je mal, richting Napels met dat ding! 0-1 is wat telt, Europa veroveren met intergalactisch voetbal doen we in 2038 wel weer een keer.
Ons opgewonden standje in het witte vest zit inmiddels al lang weer bij mama op de bank, zoals het een gemiddelde Italiaanse man van een jaar of 30 betaamt. Het bandirie-mannetje weet echter van geen ophouden en toont ons nog steeds zijn zorgvuldig gevingerverfde artistieke hoogstandje. Dit is mijn club, mijn ideaal, dit is de mooiste club van allemaal!
Affluiten, 0-1, binnen! Wie had dit verwacht?
Dág Fiorentinafans! Tot volgende week, dan komen jullie voor Jan Lul naar Amsterdam want dit gaan we natuurlijk niet meer uit handen geven!

Een klein uurtje moeten we in het vak blijven zitten, totdat we één voor één door een poortje naar buiten mogen. De Italiaanse politie neemt een voorbeeld aan het team van Fiorentina en vormt een erehaag voor de 1400 meegereisde Ajaxsupporters. Als aandenken aan deze mooie dag willen ze onze triomfantelijke gezichten allemaal afzonderlijk filmen en op de foto zetten, wat een aardige mannen! Half twaalf, het vak uit en de stad in.
Nog even wat typisch Italiaanse döner kebab scoren en aan het bier. Na twee bier zijn we echter zo compleet naar de getver dat we gaan slapen, we zijn op. Gesloopt. Gebroken. Moe, máár voldaan!

Vrijdagochtend in Florence, wat een heerlijke dag weer! Naar het station om de trein naar het stadion te nemen waar ons racemonster staat. Twintig euro in de automaat voor een kaartje van 1,10 en geen wisselgeld terugkrijgen is nooit grappig. Merken dat er de komende drie kwartier geen trein richting het stadion rijdt is nooit grappig. Alsnog met de taxi a 15 euro naar het stadion rijden is ook nooit grappig. De 330 km naar Bergamo in een toptijd van 2,5 uur rijden om het vliegtuig te halen is nooit grappig. Maar, het is gelukt. Met een marge van 10 minuten haalden we het vliegtuig naar Weeze en zijn we ruim op tijd terug voor de Noord-Hollandse titanenstrijd tussen Ajax en FC Volendam. In het vliegtuig mijmeren we over Marseille, ofja, dan eerst effe Twente uitschakelen. Dan dus een kwartfinale, de halve finale tegen AC Milan ofzo, hartstikke gezellig, en dan spelen we dus die finale in Istanbul. Als ik dat nog kan betalen! Maarja, al moet ik op de fiets, ik ga! Want die UEFA-cup, die winnen we natuurlijk gewoon. Want wij zijn Ajax, wij zijn de BESTE!

Thijs, Fiorentina-Ajaxtopic

21 November 2006

Ferenc Puskás


De beste voetballer die mij ooit een assist gaf is dood. En dat is vreselijk zonde.

Hoe het zover kwam? Daarvoor moeten we heel veel jaren terug. Allereerst naar de tijd dat ondergetekende nog een jongetje was. Een jongetje met een bal. Een jongetje met een bal zoals er heel veel jongetjes waren, zijn en zullen zijn met een bal. Ze lopen over straat, denkbeeldige tegenstanders ontwijkend, kaatsend met hun medespelers die de vorm van bomen of bakstenen muren hebben en af en toe een flitsende schijnbeweging om ruimte te creëren in een onzichtbaar universum. Overal ter wereld doden ze de tijd met hun bal, jonglerend, spelend, schietend.
Hoe het kwam dat ik mijn tijd doodde in een van de meest beroemde voetbaltempels ter wereld? Simpel. Ik moest toch ergens wachten. In mijn geval was dat meestal op mijn grootvader die mij overal mee naar toe nam, bij voorkeur naar de ‘zaak’ zoals hij het niet zonder trots noemde. Mij grootvader verloor zijn zoon, mijn vader, aan het verre buitenland en een liefde voor de wetenschap. Zijn troost school in de volgende generatie aan wie hij zijn haast religieuze clubliefde doorgaf, daartoe in staat gesteld daar zijn kleinzoon een fors gedeelte van zijn jeugd bij hem doorbracht. En voor wie de bestuurskamer van Real Madrid vertrouwd terrein is, is het eenvoudig een klein jongetje met een bal het heiligste der heiligen te laten betreden.
Daar heb ik uren gewacht. Met mijn bal. In de lange gangen waar je geweldige trucs kon uithalen met de muren, in de doorgang naar de kleedkamers waar het zo glad was dat je heel voorzichtig moest dribbelen en in het voorportaal van de grote bestuurskamer waar destijds de prijzenkast van de club hing met daarnaast een bewaker die stierf van de zenuwen elke keer als ik op enkele meters afstand mijn jongleerrecord trachtte te verbeteren.
Waarom niet op het veld. Omdat er ook grenzen zijn. Heel af en toe, als de terreinknechten in een goede bui waren en het veld moesten oplappen lieten ze mij toe. Op voorwaarde dat ik niet op goal zou schieten, geen idee waarom, maar het was ten strengste verboden.
Het was op dat veld waar ik net bezig was aan een trage dribbelsolo dat een opmerkelijke man mij aansprak. Alles aan hem was bruin. Donkerbruin haar, een huid die bijna net zo bruin als zijn pak was en matbruine schoenen. Hij leek regelrecht uit een vergeelde foto gestapt. Hij schreeuwde mij een onverstaanbare kreet toe en wenkte. Hij wenkte om de bal. In de veronderstelling dat het een van de talloze gewichtige personen was die daar vaak rondliepen speelde ik hem een traag balletje toe. De man kaatste de bal terug, een meter of 3 voor me uit. Ik ging er achteraan en kaatste op dezelfde manier de bal naar de andere kant van het veld. Op deze wijze staken we het hele veld over, onderwijl de bal met steeds meer venijn naar elkaar toe spelend. Toen we bijna bij de goal waren schreeuwde de man opnieuw en met zijn rechtervoet draaide hij de bal hoog voor de goal. Ik begreep dat deze pass een afmaker moest zijn en elk gebod vergetend probeerde ik de koers van de bal in te schatten. Jammer genoeg draaide de bal steeds sneller richting de achterlijn waardoor ik er als een gek achteraan moest. Stijf links als ik was kon ik vanaf de rechterkant van het veld de bal onmogelijk nog op doel krijgen maar om geen gezichtsverlies te lijden gooide ik mijzelf met doodsverachting in een halve vliegende tackle richting voorzet en wist hem bijna vanaf de achterlijn met een krachteloos rollertje alsnog de goal in te krijgen. De man klapte, een zeer vreemd geluid in een leeg stadion, en zei met een enorme glimlach op zijn gezicht; ’Sorry, verkeerde been’. ‘Inderdaad’ antwoordde ik, in de veronderstelling dat hij het over mijn rechtervoet had. Een krachtige hand om overeind te komen en daarna een bemoedigend schouderklopje. Zo eindigde mijn een-tweetje met Ferenc Puskás, de beste Europese aanvaller aller tijden.

Ferenc Puskás. Zo bekend en tegelijkertijd een mysterie. Behoort tot de klasse der voetballers die bewonderd worden zonder dat hun carrière samen gebracht kan worden in een beeld, één fantastische goal of mooie actie zoals dat bij latere generaties wél gebeurde.
Puskás was de belangrijkste speler, de ultieme vedette van een van de beste teams aller tijden. Het Hongarije uit de vroege jaren ‘50 kan de concurrentie met Pele’s dreamteam uit 1970 aan in de strijd om de titel van beste team ooit. 4 jaar lang was het niet de vraag of maar hoe Hongarije zou winnen.
Honved, de club die de kern van het nationale elftal verschafte, was een militaire club. Alle spelers waren beroepsmilitairen en na de winst op de Olympische Spelen in 1952 werd Ferenc Puskás bevorderd tot majoor. Vandaar dat de gedrongen ogende maar kwikzilverachtig dribbelende scherpschutter the Galloping Major werd genoemd. De onbetwiste leider van een Hongaarse armada die de wereld voorgoed zou veranderen.
Het op eigen bodem ongeslagen Engeland werd van de mat geveegd in een standaardwedstrijd die het voetbal totaal op zijn kop zette. Het verouderde Engelse systeem, tot dan toe heilig in de gehele wereld, werd gekraakt, gefileerd. 3-6 was de uitslag, een cultuuromslag het resultaat. Vanaf dat moment zag Engeland in dat het af en toe het eiland zou moeten verlaten wilde het de tegenstand kunnen bijbenen en zag de rest van de wereld dat Europa meer te bieden had dan het stijve Engelse model. In 1954 vertrok Hongarije naar het WK in Zwitserland als favoriet, als dat nog de lading dekte. Er was geen enkele twijfel over wat de uitslag zou zijn en als opwarmer wasten The Mighty Magyars Engeland in een return nog eens de oren, 7-1 Engelands grootste nederlaag ooit.
In Zwitserland presenteerde Hongarije zich als een supermacht met de slagkracht van een vliegdekschip. En dan deed Ladislao Kubala, gevlucht naar het buitenland en in ’99 nog uitgeroepen tot beste voetballer van Barcelona ooit(vóór Maradona en Cruijff), niet eens mee. Achter de topzware aanval heerste József Bozsik, een strateeg van de hoogste orde. Traag als een slak maar zo intelligent als hij waren er weinigen. Hij was de eerste lijn van aanvoer naar Nándor Hidegkuti, een revolutionaire zwervende aanvaller die voorloper was in het terugzakken uit de aanval. Snel,handig, creatief en doeltreffend bovendien. Zoltán Czibor was de razendsnelle vleugelflitser die vanaf links zijn voorzetten los liet op de rijzige Sándor Kocsis. Bijgenaamd het gouden hoofd, omdat Kocsis kon koppen met een kracht en accuratesse waarmee anderen schieten. En Puskás dus. Een kleine gedrongen aanvaller met een beeldige techniek, geniaal spelinzicht en bovenal een dodelijk schot. In het linkerbeen, want Puskás' linkerbeen was een briljant wapen. Puskás kon trappen zoals geen enkele andere speler dat kon. Het effect, de kracht en de nauwkeurigheid die Puskás in zijn schoten legde is fenomenaal, zeker gezien het feit dat de bal destijds een loodzware leren kogel was zonder enige aërodynamica. Puskás schoot beter dan welke specialist van nu, met inferieur materiaal bovendien.
Hongarije ging de groepsfase door op een wijze die wij nu freewheelen zouden noemen. 2 wedstrijden, 17 goals voor, 3 tegen.
Dit verhaal zou een fijn beloop krijgen als er niet iets dramatisch zou zijn gebeurd. In de wedstrijd waarin West-Duitsland werd vernederd(met 8-3) deelde de Duitse sterspeler Liebrich een doodschop uit aan Puskás. Puskás kon geen stap meer verzetten en bleef tot de finale aan de kant. In de Braziliaanse voetbalgeschiedenis is het gedwongen supporterschap van Puskás nog goed voor een fraaie anekdote. Hongarije(de sterrenploeg van ’54) en Brazilië(de sterrenploeg van 4 jaar later) ontmoetten elkaar in de kwartfinale in de wedstrijd die als de slag om Bern in de boeken ging. De Brazilianen hadden een dag eerder de Hongaren bekeken tijdens hun training en kwamen bibberend het veld in, een angst die omsloeg in de overtuiging dat geweld de enige optie was. Ze schopten naar alles wat bewoog, zonder resultaat want Hongarije won zonder al te veel moeite. Volgens overlevering wilde Ferenc Puskás zich echter niet onbetuigd laten in het geweld dat zijn teamgenoten trof en haalde hij met zijn fles sterke drank(het waren andere tijden) uit naar Pinheiro na het laatste fluitsignaal. De aansluitende vechtpartij ging door tot in de kleedkamer en zorgde voor een stortvloed aan fraaie voorpagina’s in heel Europa met foto’s van bont gekleurde Brazilianen op de vuist met vrijwel alles en iedereen in de buurt.
Hongarije haalde de finale en maakte 1 grote fout. Het stelde Puskás op. Over de aard van zijn blessure verschillen de meningen, van een breuk tot een serieuze scheuring , maar feit is dat Puskás na 6 minuten scoorde met zijn gebroken dan wel ernstig geblesseerde been en het na 10 minuten 2-0 stond voor de Hongaren. Wat zich daarna afspeelde bejubelen de Duitsers als Das wunder von Bern en betreurt de rest van de wereld als een van de grootste vormen van onrecht dat het voetbal ooit zag. De Duitsers wonnen met 3-2, ook omdat Puskás die na 10 minuten geen stap meer kon zetten, 2 minuten voor tijd zowaar nog de gelijkmaker wist te produceren die om onduidelijke redenen werd afgekeurd. Werner Liebrich won de prijs voor beste speler van het toernooi. Ook dat nog.

In 1956 proefde Hongarije van de vrijheid onder Imre Nagy en werd voor even het communistische juk van zich af geworpen. Voor de spelers van Honved, vanwege een tour tijdens de revolutie in het buitenland verblijvend, leek er geen weg meer terug toen de Russen met harde hand de dictatuur terugbrachten. Veel spelers vluchtten en weigerden terug te keren naar Hongarije, zo ook Puskás. De FIFA, ook toen al behept met bureaucratische starheid schorste Puskás en de zijnen voor 2 jaar. Ferenc Puskás, held van Hongarije werd een banneling.
De ironie is dat Puskás zijn vrijheid vond onder de laatste fascist van Europa. In het Spanje van Franco was alles mogelijk voor vrienden van El Caudillo, en Santiago Bernabéu de voorzitter van Real Madrid was een zeer invloedrijke vriend. Puskás werd ingelijfd door een sterrenensemble zonder weerga, geen FIFA die daar wat aan kon veranderen. De Hongaarse topschutter kwam terecht in het beste clubteam ter wereld. De statige Uruguayaan José Santamaria, de snelste linksbuiten ooit, Francisco el supersónico Gento en de geniale Fransman Raymond Kopa. De een was nog beroemder dan de ander. En niemand kon tippen aan de absolute vedette van de club: Alfredo di Stefano, op dat moment ’s werelds beste voetballer.
Ferenc Puskás en Alfredo Di Stefano zouden het beste spitsenkoppel ooit gaan vormen. Twee legenden, twee gelijken en tegelijkertijd twee totaal verschillende personen. Zoals Di Stefano zich tegen de macht vleide, zo deed Puskás dat tegen het publiek. Di Stefano was een formidabel voetballer; een tactisch genie, een multifunctionele teamspeler en een onstuitbare wervelwind ineen, maar een afschuwelijke man. Een alcoholistische rokkenjager die zich met liefde wentelde in zijn vooraanstaande positie onder de rokken van de macht, Bernabéu en Franco. Zijn transfer wordt vaak aangegrepen als bewijs voor de bevoorrechte positie die Madrid innam maar daarbij wordt geheel voorbij gegaan aan de persoon Di Stefano zelf. Di Stefano accepteerde het Madrileense aanbod maar al te graag; in de hoofdstad bood het leven hem al wat hij wilde. Di Stefano zwaaide de scepter in de kleedkamer zoals zijn beschermers dat in de bestuurskamer en regering pleegden te doen. Absoluut. De carrière van de geniale spelmaker en Braziliaanse wereldkampioen Didi werd door Di Stefano vakkundig de nek omgedraaid omdat hij zijn status bedreigde. Raymond Kopa, de concurrent van Didi, was een brave man die alles deed wat de Argentijn hem vroeg en werd dus juist door hem beschermd.
De zachtaardige Puskás was in alles een tegenbeeld. Een vriendelijke man, vluchteling uit een dictatuur die zich temidden van gezagsdragers als een kind kon gedragen en op die manier de spanning brak. ’Kijk jongens, de ijscoman’ riep hij tijdens een van de vele militaire parades wijzend op de admiraal der Zee in zijn witte uniform. In Madrid, de stad van een miljoen lijken, was Ferenc Puskás de enige die onbestraft het regime kon bespotten. Want Puskás dwong respect af, bewees samen te kunnen spelen met de andere superster en had bovendien het vertrouwen van de coach, zijn vroegere leermeester. Het is voor de jeugd misschien goed te beseffen dat puskás al 31 was toen hij bij Real tekende. Desalniettemin presteerde hij bovenmenselijk. 4 maal topscorer, 156 goals in 180 wedstrijden, 5 maal kampioen en tweemaal de beste van Europa. De Europacupfinale tegen Eintracht Frankfurt is verplichte kost voor elke voetballiefhebber, de oudjes Di Stefano(3 x) en Puskás (4x) slopen Frankfurt in een van de beste wedstrijden ooit gespeeld(7-3). The Galloping Major werd in Spanje, canoncito, het kleine kanon. ’Bang’ gilde het publiek wanneer hij aanlegde voor een van zijn fantastische schoten. Madrid werd de voetbalhoofdstad van de wereld en geloof het of niet, zelfs in zware tijden halen mensen daar hun vreugde uit. Het succes van Real Madrid trok het fascisme aan -en niet andersom, zoals spijtig genoeg te vaak beweerd wordt- en zoals wel vaker werd sport een propagandamiddel. Dat heeft, onterecht, een schandelijke deken over een van de fraaiste sportperiodes ooit gelegd. Maar Ferenc Puskás heeft daarin altijd zijn waardigheid weten te behouden, was een vrije geest in een van de laatste gesloten landen van West-Europa. Hij was voor een oude generatie meer dan alleen een goede voetballer. Een held.

Ferenc Puskás, 's werelds grootste goalgetter, sleet zijn laatste jaren in zijn eigen wereld. De ziekte van Alzheimer stelde hem niet meer in staat nog te bevatten wat er om hem heen gebeurde. Misschien wist hij niet eens meer wie hij was. Zonder notie van zijn roem noch de vergankelijkheid daarvan vulde hij zijn dagen voor zijn ene raam in Boedapest, uitkijkend op een van de typische lange lanen met eeuwig herfstige bomen. En zo poëtisch als dit mag klinken, zo treurig was het. Puskás is berooid gestorven, was afhankelijk van benefietwedstrijden en de veiling van al zijn bezittingen, waaronder zijn olympische en WK medailles, voor zijn verzorging omdat ook legenden rekeningen moeten betalen. Hoe anders verging het zijn spitsenbroeder, thans erevoorzitter van Madrid, die zijn dagen slijt in de luxueuze veteranenclub van Real Madrid. Ook een stokoude man die zijn einde voelt naderen, zij het wat behaaglijker, met wat meer warmte van de spotlichten. Gelijken, maar zo verschillend.

Ferenc Puskás was het enige idool van mijn grootvader. Een foto van hun beiden was het laatste wat ik in zijn kist legde, toen ik hem iets meer dan een jaar geleden begroef. “Heeft die oude boef me toch nog overleefd” had hij in het ziekenhuis nog gemopperd. Met het afscheid van canoncito is een tijdperk ten einde.

Ferenc Puskás is niet meer met ons. En dat is vreselijk zonde.


Raul Gonzalez Blanco in het Ferenc Puskástopic

foto: Wikipedia

09 September 2005

Arena


Over 40 jaar gaan we nostalgisch terugdenken aan die fantastische sfeervolle Arena.

In 2044 verhuist Nokia Ajax Amsterdam ® (één van de filialen van Emirates Airlines Chelsea ®), uitkomend in de Dommelsch Ice Competitie ® van de Koninklijke Philips Voetbalbond ®, naar de nieuwe ABN-AMRO-ING-Fortis Dome ® in Stadsdeel Lelystad-Zuid ® van de Nuon-gemeente Amstermere-LelYburg Powered By Mora ®.
Seizoenkaarten worden niet meer verkocht. Wel kan je een Delta Lloyd Match'n'Entertainment Pack ® inclusief Adidas UEFA Pass ® winnen bij aankoop van een Sony Playstation Supporters Shirt Replica ® of McDonalds Low-Cal Happy-Kids Sports Meal ®.

Om de spelers, met name onze Fuji Defender-of-the-Month ®, te beschermen tegen herkenning door wraakzuchtige hooligans (powered by Bayer-Roche Pharmaceuticals International ®) uit de Douwe Egberts-Deelgemeente Rijnmond-Maasvallei ® wordt het Tuincentrum Osdorp Multifunctional FiberField ® afgeschermd met een ondoorzichtig Heras Stadium Security Screen ® waarop de vooraf opgenomen Umbro Match ®, om de 8 minuten onderbroken door Amazing Amazon Offers ®, wordt geprojecteerd, waarbij de gezichten onherkenbaar zijn gemaakt met Symantic Personal Protection Imaging ® en alle namen om privacyredenen gefingeerd.

Voor het authentieke stadiongevoel ga je naar Free Record Shop ®, waar je de Arcade Song-and-Cheer Simulation Disk ® (Special Edition) kan kopen die je in de Dome afspeelt op je Personal Nintendo Home Stadium Entertainment Console ®.

666, Ajaxlogo op de tribunestopic

12 February 2005

What really happened...


The Ajax family fielded two teams in the Trojan War. Ajax The Great and Little Ajax. Kinda like Ajax 1 and Ajax 2 in the Amstel Cup. Both of them were braindead hooligans.

Ajax I

Son of Telamon, King of Salamis, Ajax The Great was slow of thought but quick in battle. After leading the team that kicked the enemies ass at the away game in Troy (1220 BC), General Ajax claimed the weapons of the late Achilles. However, that didn't go down well with the rest of the squad, who decided to hand the merchandise to Odysseus instead.
The utterly frustrated Ajax, never a good sport, took out his sword to kill his team mates (like Mido with the scissors), but after being blinded by the Goddess Athena he chopped up a herd of sheep and their shepherds into souvlaki instead. Struck with shame, our unfortunate hero committed harakiri by flinging himself onto the sword given to him by Hector in exchange for his belt.

Ajax II

After the son of Oileus, Ajax of Lokris, who was in the Trojan Horse line-up of 1184 BC, stole the Palladium (the sacred image of Pallas) from Athenas Temple and raped Cassandra at the altar, a very pissed-off Athena called on Zeus and Poseidon to kill that perverted little fuckwit.
Poseidon destroyed his fleet off the coast of Cape Caphareus, but Ajax Minor managed to survive and made it to the rock of Gyrae in injury time.
As the extra time ticked away, Little Ajax pushed his luck too far by shouting insults at the gods. The penalty shot by Poseidon, a thunderous bolt of lightning headed straight at the center of the goal, smashed his little rock to pieces and Ajax The Arrogant drowned in the sea.

Ouch! That hurts! The Great Ajax is a murderous Don Quichote, the lesser Ajax is a carbon copy of Patrick Kluivert. And our enemies of the Feyenoord and PSV discussion boards are lurking on this forum...

666, Ajax Orlando topic